Taal 

Voor deze vakken gebruiken we respectievelijk Taal op Maat en Spelling op Maat. Qua opbouw zijn deze twee methodes identiek: ze zijn gericht op gemak, resultaat en overzicht. Zowel voor de leerling als voor de leerkracht. Er zit een vaste structuur in de opbouw van de lessen, waarbij instructielessen afgewisseld worden met zelfstandig werken lessen. Bij het begin van iedere les is het doel van de les voor de kinderen zichtbaar. Doordat beide methodes werken met referentieniveaus (leerlijnen die doorlopen tot na de basisschool), wordt er voor iedere leerling het hoogst haalbare doel nagestreefd.
De inhoud van de taalmethode is gericht op de volgende ontwikkelpunten:
  • Woordenschat (de betekenis van woorden en woordsoorten (her)kennen)
  • Het schrijven van teksten, zowel qua vorm als inhoudelijk
  • Luisteren en spreken (hoofd- en bijzaken herkennen, het kunnen geven van presentaties)
  • Kijk op taal (bijvoorbeeld zinsdelen en woordsoorten kunnen benoemen)
Daar waar mogelijk wordt een combinatie gemaakt met het IPC thema.
 

Spelling

De inhoud van de spellingmethode is vanaf groep 4 opgebouwd aan de hand van 4 spellingregels, te weten
  • Luisterwoorden (je schrijft wat je hoort: roos)
  • Luisterwoorden met een bijzondere klankgroep (je schrijft wat je hoort en er is een bijzondere klankgroep in dat woord: haai/beer)
  • Regelwoorden (er zit een bepaalde letter of klankgroep in het woord die je via een regel correct kunt schrijven: circus )
  • Weetwoorden (er is geen regel, dit woord moet je gewoon onthouden: geit/pauw)
Daarnaast komt de werkwoordspelling in de groepen 5 tot en met 8 uitgebreid aan bod.